Spiegelen

  • Alle kinderen staan in tweetallen tegenover elkaar.
  • De spelleider vertelt dat iedereen wel eens voor de spiegel staat.
  • In de spiegel zie je jezelf. Jouw bewegingen en je spiegelbeeld zijn hetzelfde.
  • In deze oefening gaan kinderen met z’n tweeën de persoon voor de spiegel en het spiegelbeeld uitbeelden.
  • Degene voor de spiegel is de leider, het spiegelbeeld is de volger.
  • De spelleider geeft de kinderen een opdracht, zoals: je komt net uit bed en staat voor de spiegel. Wat doe je dan allemaal?
  • De bewegingen hoeven niet allemaal klein en op de plaats te zijn.
  • De leider mag ook naar de spiegel toe lopen, ochtendgymnastiek oefeningen doen, enz.
  • De leider moet zijn bewegingen niet te snel maken en goed opletten of de volger hem kan bijhouden.
  • De volger moet goed op de handelingen van de leider letten en ze zo precies mogelijk nadoen.
  • Na verloop van tijd wordt er van rol gewisseld.