Klapspel

  • Alle leerlingen zitten in een kring.
  • Iedereen krijgt een nummer dat hij goed moet onthouden.
  • Nu begint het spel. Iedereen slaat 1 keer met zijn handen op zijn dijbeen, klapt één keer vóór zich in zijn handen en knipt steeds één keer met de vingers van zijn linkeren één keer met die van zijn rechterhand.
  • Eén leerling, die vooraf is aangewezen, noemt tijdens het knippen met zijn linkerhand zijn eigen nummer en tijdens het knippen met zijn rechterhand een willekeurig andere nummer dat aan iemand in de groep is gegeven.
  • Degene die dit nummer heeft moet dan de volgende ronde precies zo doorgaan.
  • Het spel moet relatief langzaam worden gespeeld, totdat iedereen de volgorde van de bewegingen feilloos beheerst.
  • Hoe sneller het tempo, hoe moeilijker het spel wordt.
  • Rustig beginnen, langzaam opvoeren.