Alle vogels vliegen

  • De kinderen hebben hun handen plat op tafel of op hun schoot liggen.
  • Wanneer de leerkracht zegt: ‘alle vogels vliegen’ moet iedereen met de armen in de lucht ‘fladderen’.
  • Maar wordt er een onmogelijke combinatie genoemd, bv. ‘Alle auto’s vliegen’, dan moeten de handen op tafel blijven liggen.
  • In snel tempo worden zo wel en niet vliegende dieren of dingen genoemd: alle tafels vliegen, alle adelaars vliegen, alle stoelen vliegen, etc.
  • Wie zijn handen omhoog steekt bij iets wat niet kan vliegen is af. Varianten;
  • Zwemmen en niet-zwemmen. Alle bomen zwemmen, alle mensen zwemmen.
  • Bewegen en stil staan. Alle huizen bewegen, alle scholen staan stil.