Wiggle, wiggle, wiggle

  • Laat kinderen in tweetallen tegenover elkaar staan. A en B tegen- over elkaar.
  • Stap 1: A en B tellen om en om doorgaand tot 3. A zegt 1, B zegt 2, A zegt 3, B zegt 1, A zegt 2, B zegt 3, A zegt 1 etc.
  • Stap 2: De 1 wordt vervangen door een klap. A klapt, B zegt 2, A zegt 3, B klapt, A zegt 2, B zegt 3, A klapt etc.
  • Stap 3: de 2 wordt vervangen door een sprong. A klapt, B springt, A zegt 3, B klapt, A springt, B zegt 3, A klapt etc.
  • Stap 4: De 3 wordt vervangen door wiggle, wiggle, wiggle, waar- bij je met je heupen van links naar beweegt. A klapt, B springt, A zegt wiggle, wiggle, wiggle en beweegt met zijn heupen, B klapt, A springt Etc.
  • Stap 5 is hetzelfde als stap 1. Verbazing omdat het ineens veel makkelijker gaat dan de eerste keer. Waarschijnlijk omdat je hersenen zich tegen die tijd een nieuwe vaardigheid eigen hebben gemaakt.