De magische geluiden en beelden

  • De kinderen zitten op hun plek of in een kring.
  • De spelleider fluistert of zegt een geluid tegen één kind. Bijvoorbeeld;
    • Een dier (koe, hond, kip)
    • Een voertuig (auto, trein, vliegtuig)
    • Een beroep (brandweer, dokter, politie)
    • Een emotie (boos, blij, verdrietig)
  • Dat kind maakt het geluid of beeldt het uit.
  • De rest van de klas probeert zo snel mogelijk te raden wat het is.
  • Die het goed raadt, mag het volgende geluid of beeld doen.
  • Variant; ze mogen niet praten, alleen uitbeelden.